Leren uit het verleden versterkt het ondernemerschap

Dit is de ingekorte versie, lees het volledige artikel hier.

“In de Angelsaksische wereld is een mislukking iets wat een ondernemer met plezier op zijn cv zet. Bij ons wordt een faillissement doodgezwegen.” Hoe komt het dat mislukken als ondernemer in België nog altijd een stigma is? En welke rol spelen de banken anno 2016 in KMO-land België? 360° vroeg het aan Brigitte Malou (Grotten van Han), Karel Van Eetvelt (UNIZO), Jean-Pierre Di Bartoloméo (Sowalfin) en Dirk Wouters (Bank J. Van Breda & C°).

Uit de conjunctuurenquête van de Nationale Bank van België blijkt dat het ondernemersvertrouwen weer aanwast. Merken jullie dat ook op het terrein?

Karel Van Eetvelt (KVE): Hoewel de trend positief is zijn de cijfers zelf nogal schommelend: een beetje omhoog, dan weer omlaag. Doordat zowel de rente als de olieprijs zeer laag staan, zou het vandaag eigenlijk een stuk beter gesteld moeten zijn met het vertrouwen dan nu. Er is veel geld beschikbaar maar er is geen extreme kredietaanvraag. Ondernemers vragen zich af of ze volop ondersteund zullen worden. Er zijn indicaties dat dat zo is maar evengoed tekenen dat dat niet zo is. Neem de stijgende inflatiecijfers door de belastingverhogingen. Wat op hun beurt onze concurrentiepositie aantast. Dat zijn geen goede signalen. Daarom zie je de curve dan ook niet steil omhooggaan.

Dirk Wouters (DW): Aan de vraagkant zou er meer kunnen. Niet alleen qua kwantiteit maar ook qua kwaliteit. Er wordt voornamelijk geïnvesteerd in kostenefficiëntie en niet zozeer in omzetgroei. Ondernemers doen aan automatisering en digitalisatie om kosten in te perken. Een bedrijfsleider die zegt: “Ik heb geld nodig voor een nieuw magazijn want dat barst hier uit zijn voegen”, dat is een zeldzaamheid.

Jean-Pierre Di Bartoloméo (JPDB): Ook uit onze cijfers blijkt dat de bedrijven wat steviger in het zadel zitten. Sinds eind 2015 is de betalingsachterstand bij Sowalfin met de helft gedaald, van 4 naar 2%. Daarnaast zijn ook de verliezen in onze portefeuille in 2015 gehalveerd tegenover 2013. We hebben in Wallonië nu drie grote investeringspolen. Ten eerste zijn er de efficiëntieverbeteringen: bedrijven rationaliseren hun business en verbeteren hun concurrentiepositie. Ten tweede zien we een enorme boost in investeringen gelinkt aan het Waalse Marshallplan. En ten derde is er de grote instroom van jongeren die willen ondernemen. Aangezien de werkgelegenheid in Wallonië niet zo hoog is, starten ze hun eigen onderneming, zowel in traditionele als digitale sectoren.

Hoe kijken jullie naar alternatieve financiering naast bankfinanciering?

Brigitte Malou (BM): Het is een significante etappe in de opbouw van een onderneming. Voor onze huidige - en toekomstige - projecten konden we niet alles financieren met bancair krediet. Daarom hebben we beroep gedaan op Namur Invest. Die pijler bleek al snel onmisbaar te zijn voor ons. Ik vermoed dat dat zo zal zijn voor veel groeiende kmo’s. Voor mij is het één van de rollen van de bankier om de aandacht op deze mogelijkheden te vestigen en hierover te informeren.

Doen de banken dan niet genoeg inzake alternatieve financiering?

BM: Het is hun product niet, dus soms is daar wel wat schroom over. Uiteindelijk volgen ze wel maar het moet snel duidelijk zijn dat alternatieve financieringsbronnen hun plaats hebben naast bankfinanciering.

DW: De complementariteit is duidelijk, denk ik. Bankfinanciering kan aangevuld worden met andere bronnen, onder meer van de overheid. Ook formules waarbij mensen hun eigen geld investeren - bijvoorbeeld een win-winlening of crowdfunding - hebben zeker nut. We zitten in een snelle economie en soms moet je vanuit je buikgevoel kunnen reageren. Dat kan alleen maar als je investeert met eigen middelen. Dus voor mij is het een drieluik: bankkrediet enerzijds en overheidsinitiatieven anderzijds, aangevuld met de spreekwoordelijke Fools, Friends and Family en crowdfunding. De uitdaging is om elke ondernemer te wijzen op die drie kanalen. Ik denk dat we daar al vooruitgang boeken maar nog ambitieuzer mogen zijn.

JPDB: Crowdfunding zet het establishment een beetje op zijn kop. Dat is goed voor iedereen. Dit soort financiering is ook belangrijk om je dossier meer solide te maken én ze brengt vaak externe visie binnen: mensen die de business kennen en kennis en kunde meebrengen. Ik heb echter niet het gevoel dat een bedrijf zich al 100% kan financieren of aan internationale expansie kan doen enkel via crowdfunding. De crowd kan dat misschien wel triggeren maar nog niet meer dan dat. Je mag ook niet vergeten dat de bank een ondernemer sterk kan ondersteunen via bijkomende diensten, bijvoorbeeld op internationaal vlak.

“Je moet van de ondernemer geen financieel expert maken. Je moet hem op pad zetten naar een goede oplossing voor zijn activiteit.” - Karel Van Eetvelt

Alle vormen van financiering hebben dus hun plaats?

JPDB: Absoluut, bij het investeren is het belangrijk om een goede risk sharing en evenwicht te hebben tussen de verschillende financieringsbronnen. Je moet daarbij afwegen wat je verwacht van de tegenpartij: raad en bijstand, toegang tot bepaalde diensten of enkel cheap money? Elke situatie is anders. Ik heb in sommige gevallen aan jonge ondernemers de win-winlening aangeraden, in andere gevallen heb ik er niet over gesproken.

Sinds eind december 2013 is er een wet om meer transparantie te creëren in het kredietaanbod en de contractuele relatie tussen kredietgever en ondernemer evenwichtiger te maken. Werkt die?

KVE: De wetgeving werkt responsabiliserend - vooral naar kleine ondernemers toe - en leidt naar betere oplossingen voor hun bedrijf. Dat alleen al maakt het waard om zo’n wet te maken.

DW: Voor mij blijft het kredietgesprek, waarbij de bankier dialogeert met de klant en gerichte vragen kan stellen, nog altijd de basis. Moet je dat aanvullen met een verplichte vragenlijst zodat het dossier voldoende gedocumenteerd is en de aansprakelijkheid van de bank ingeperkt wordt? Daar ben ik minder van overtuigd.

Moet er nog verder werk worden gemaakt van de financiële kennis?

JPDB: Een goede ondernemer heeft meestal geen zin heeft om een expert in accounting te worden. Ik kom genoeg ondernemers tegen die zeggen: regel het met mijn boekhouder. We moeten zaken als het financieel plan en het businessplan zo eenvoudig mogelijk maken. En stoppen met consultants die plannen van 200 pagina’s maken met 25 variabelen. Als je een businessplan kan uitleggen aan je twaalfjarig neefje, dan zit je goed. Maar daar is nog werk te doen.

KVE: We zien dat ondernemers vooral bezig zijn met hun onderneming, hun plan, hun droom. Ze zijn veel minder op de hoogte van financiering of de meest logische oplossing voor hun business. Het goede nieuws voor de bank: ze komen bijna altijd eerst bij haar langs voor informatie. Het frustrerende: ze zit met veel kleine ondernemers voor wie haar product niet aangepast is. Ook voor UNIZO ligt daar een belangrijke opdracht. Je moet van de ondernemer geen financieel expert maken maar je moet ze wel op pad zetten naar een goede oplossing voor hun activiteit. De komende jaren gaan wij heel specifiek inzetten op de verbetering van die “financiële geletterdheid”.

BM: Ik ben het daar mee eens. Een ondernemer moet niet noodzakelijk een financier zijn. Hij moet met zijn business bezig zijn. Boekhouders zouden meer vooruitziend moeten zijn. Nu maken die die vaak te veel puur rekensommetjes. De opleiding zou in die zin aangepast moeten worden. Een fiduciaire of externe accountant is soms ook een oplossing. Ook senior consultants met financiële ervaring kunnen helpen indien nodig.

“Het is belangrijk dat bankiers, advocaten en accountants de taal van de ondernemer spreken en niet omgekeerd.” - Dirk Wouters

DW: Het is ontzettend belangrijk dat bankiers, advocaten en accountants de taal van de ondernemer spreken en niet omgekeerd. Een goede marktwerking met een goede trialoog tussen ondernemer, accountant en bank is de basis. En die is er ook. Wel zit nog een hiaat in het adviesmodel. Een startup die maar 10.000 of 20.000 EUR nodig heeft, is geen “klant” bij de bank. En een bankier zal die ondernemer wel één keer een kort advies willen geven maar veel verder gaat het meestal niet. Precies omdat advies als extra toegevoegde waarde gekoppeld is aan het afnemen van producten. Er zijn zeker situaties waarin dat model niet werkt. Overheid, ondernemersorganisaties, accountants en individuele bankiers kunnen hierin een rol spelen.

Hoe zien jullie de problematiek van de doorstart en het imagoprobleem van gefaalde bedrijfsleiders?

KVE: In de Angelsaksische wereld is een mislukking iets wat een ondernemer met plezier op zijn cv zet. Dat is daar een geweldige ervaring. Op basis van mislukkingen creëren ze er fantastisch mooie en grote bedrijven. Bij ons niet. Een faillissement wordt hier doodgezwegen. Daarom zie je hier ook veel minder bedrijven die geënt zijn op de heel snel veranderende, volatiele economie van vandaag. Ik denk niet dat we dat met wetten of regels moeten oplossen. In de VS of het VK bestaan die ook niet. Er is vooral een mentaliteitswijziging nodig die al start in het basisonderwijs. Je moet jonge mensen triggeren om risico’s te nemen. En zeggen dat mislukken helemaal niet erg is, zolang je er maar iets uit leert.

DW: We moeten natuurlijk wel toegeven dat statistisch gezien de hoogste kans op een faling … een vorige faling is. Het is dus de uitdaging om door die faling door te kijken. Dat kan alleen maar via een gesprek. Wat waren de omstandigheden? Hoe heeft de ondernemer op dat moment gemanaged? Roekeloos of verantwoordelijk? Heeft hij te grote risico’s genomen?

Tot slot: er zijn ook complete sectoren die het lastig hebben. De autosector, de landbouw, het toerisme na de aanslagen in Brussel. Moeten we daar met z’n allen sneller op inspelen?

BM: Ik denk dat er een groot verschil is tussen een sector in structurele moeilijkheden omdat hij niet meer relevant is en een sector die door een plotse, onverwachte tegenslag wordt getroffen. Brussel valt in de tweede categorie en mag voor mij gerust tijdelijk geholpen worden om te overleven. Als een sector structureel is getroffen omdat de vraag is weggevallen, dan is dat een heel ander geval. Zulke sectoren kunstmatig in leven houden, is geld weggooien.

KVE: Ik deel die mening volledig. De retail wordt vandaag zwaar geconfronteerd met disruptie en de impact van e-commerce. Soms hoor ik ondernemers zeggen: “Maak wetten om e-commerce te kelderen”. Dat lijkt me het domste wat je kan doen. We hebben in het verleden al te vaak en te veel geld gestoken in oude industrieën terwijl we goed weten dat hun tijd voorbij was.

JPDB: We hebben zowel federaal, met het Planbureau, als regionaal veel kennis in huis om te voorspellen welke sectoren opportuniteiten zullen bieden en welke onder druk zullen komen te staan. De regio’s moeten echter meer samenwerken, gegevens uitwisselen en de werkgeversorganisaties en banken erbij betrekken. De informatie bestaat maar zit nog te veel opgesloten. Dat is jammer. 

 

Brigitte Malou:

  • managing director van De Grotten van Han
  • stelt 75 mensen tewerk en draait een omzet van ongeveer zes miljoen EUR

Karel Van Eetvelt:

  • gedelegeerd bestuurder van de ondernemersorganisatie UNIZO
  • vertegenwoordigt ruim 85.000 ondernemers

Dirk Wouters:

  • CEO van Bank J. Van Breda & C°
  • helpt ondernemers en vrije beroepen bij het beheer en de opbouw van hun vermogen

Jean-Pierre Di Bartoloméo:

  • voorzitter van het directiecomité van Sowalfin, een kapitaalverstrekker die in opdracht van de Waalse regering kmo’s helpt financieren