Een uitdaging om u tegen te zeggen

Dit is de ingekorte versie, lees het volledige artikel hier.

Dit jaar kreeg de top van Febelfin een nieuw gezicht. Johan Thijs trad aan als voorzitter en Karel Van Eetvelt ging aan de slag als CEO. Voor 360° was dit een uitgelezen kans om een gesprek te hebben met de twee “nieuwelingen”. Het resultaat is een gesprek met veel passie en visie over de financiële sector van vandaag én - vooral - van morgen. “De digitalisering wordt voor de sector een nog grotere uitdaging dan de financiële crisis.”

Welk traject hebben jullie afgelegd tot nog toe?

Karel Van Eetvelt (KVE): “Ik kom uit de sportwereld. Ik ben licentiaat Lichamelijke Opvoeding maar ik heb met dat diploma nooit veel gedaan. Ik heb me meteen na mijn studies economisch bijgeschoold. Na een passage van ruim een jaar op het kabinet van Gaston Geens ben ik bij Bouwunie terechtgekomen en later bij UNIZO. Ik heb van in het begin geleerd om te luisteren. Zo leer je het onderwerp kennen en kan je het in de juiste context plaatsen. Dat is belangrijk bij het onderhandelen maar ook bij het leidinggeven. Bij de federaties bestond zeker 50% van mijn werk uit lobbyen: een zeer goede leerschool om resultaten te leren bereiken.”

Zoals?

KVE: “Een van de belangrijkste lessen was: als je resultaat probeert te bereiken voor een bepaalde groep, probeer dat dan ruimer te trekken dan jouw groep alleen. Toon aan wat de toegevoegde waarde is voor andere stakeholders en de samenleving. Alleen zo kan je een draagvlak creëren voor hetgeen je wil bereiken. Dat is niet altijd de makkelijkste aanpak maar wel de beste manier om duurzaam resultaat te boeken.”

Hoe zit dat voor u, mijnheer Thijs?

Johan Thijs (JT): “Ik heb een opleiding Toegepaste Wiskunde gevolgd, met veel nadruk op statistiek en kansberekening. Daarna heb ik nog een studie Actuariaat gedaan. Mijn loopbaan is gestart in de verzekeringswereld toen ik door een van de voorlopers van KBC werd gerecruteerd. Ik was heel vaak “de jongste ooit”. De jongste directeur, de jongste algemeen directeur, de jongste CEO. Ik heb het geluk gehad om veel uitdagingen op mijn bord te krijgen die ik ook altijd heb aangenomen. Heel vaak zeiden andere mensen daarbij: “Doe dat nu niet” (lacht).”

Mijnheer Van Eetvelt, ziet u vooral verschillen of gelijkenissen tussen Febelfin en uw vorige werkgevers?

KVE: “Er zijn zeker gelijkenissen. In beide gevallen zijn het verenigingen met een bestuur van - sta me toe dat woord te gebruiken - ‘vrijwilligers’. Johan en zijn collega’s geven een stuk van hun vrije tijd op om Febelfin vooruit te helpen. Bij Bouwunie en UNIZO was dat ook zo. Verschillen zijn er natuurlijk ook. Bij UNIZO had ik 250 medewerkers, bij Febelfin zijn het er 50. UNIZO was breder van opzet maar tegelijkertijd lokaler. Febelfin werkt een stuk specifieker maar wel internationaler.”

En qua uitdagingen?

KVE: “Ondernemers waren en zijn de laatste jaren enorm onderhevig aan technologische transformaties. Dat is bij Febelfin ook zo. Wij moeten leren omgaan met een wereld die gigantisch verandert. We moeten ook zorgen dat de omgeving voor onze leden verbetert zodat ze meer tijd kunnen besteden aan hun eigen bedrijf. Het is dan ook onze opdracht om het kader zo goed en aangenaam mogelijk te maken. Daar zitten verschillende aspecten aan. Zoals de administratieve last verminderen. Ik ben de voorbije maand toch geschrokken van de hoeveelheid wetten en regeltjes die de sector moet volgen. Nog een pak meer dan de doorsnee ondernemers, en daar was het al erg. Begrijp me niet verkeerd: er is nood aan een reglementair kader maar de manier waarop het wordt opgesteld, is hallucinant.”

JT: “Ik begrijp dat Karel, als hij de vergelijking maakt met zijn vorige werkomgeving, dat gigantisch veel vindt. Het ís ook gigantisch veel. Maar we mogen wel stellen dat die wetgeving nodig is. Dat heeft het verleden ons geleerd. De vraag die je je natuurlijk moet stellen is: is die toegenomen wetgeving ook effectief? Vanuit de context waarin zaken zoals MiFID (Markets in Financial Instruments Directive) II en PSD (Payments Services Directive) II zijn opgesteld: it makes sense. Zo is MiFID II opgesteld om de consument beter te beschermen en moet PSD II ervoor zorgen dat er meer concurrentie komt op de betaalmarkt. Alleen zijn er ook bepalingen in sommige wetten die het de consument vooral lastig maken of waarmee je zelfs extra risico’s creëert voor de cliënt.”  

KVE: “De doelstellingen van de wetten zijn goed maar de complexiteit is zo overweldigend. Men is overgedetailleerd. Men wil het allerlaatste hypothetische probleem regelen dat zich waarschijnlijk nooit zal voordoen. Dat is contraproductief en leidt tot frustratie, irritatie en inefficiëntie. In een open markt verstoort het bovendien het gelijk speelveld, zeker in een internationale context.”

Laten we het even over de huidige digitaliseringsgolf hebben …

JT: “Digitalisering op zich is geen uitdaging. Dat is een gevolg van wijzigingen in de samenleving waarop wij moeten inspelen. De grote uitdaging is het veranderende klantengedrag: de consument die vier jaar geleden een wasmachine kocht bij de winkel om de hoek, bestelt die nu online en verwacht dat ze ’s ochtends door een koerier wordt geleverd en aangesloten. Die ervaring wil hij ook bij zijn bank. Om die dienstverlening te kunnen bieden, moeten de systemen van de banken worden aangepast. Dat kost veel geld. Het heeft echter niet alleen implicaties op IT-vlak, het vraagt een andere manier van denken.”

Hoe ziet de perfecte bank er dan uit?

JT: “De ‘perfecte’ bank of ‘perfecte’ verzekeraar verandert continu. Omdat je omgeving ook continu verandert. Niet vergeten: wij verkopen geen tastbare producten. Als ik onze rol terugbreng tot zijn essentie dan zijn wij een intermediair tussen zij die geld nodig hebben en zij die geld willen beleggen. Dat is het proces dat we nu digitaliseren. Het enige dat we daarbij niet kunnen digitaliseren is vertrouwen. De bankier van de toekomst is dan ook: hij die als huis van vertrouwen het best op de veranderende klantennoden inspeelt. Die perfecte bankier ziet er vandaag anders uit dan morgen, en morgen anders dan overmorgen. Met andere woorden: eigenlijk bestaat hij niet want hij moet zich voortdurend opnieuw heruitvinden.”

De digitalisering brengt ook nieuwe concurrentie mee. Google, Apple, Facebook en Amazon bieden betalingsfaciliteiten aan.

JT: “Grappig dat je net die industriegiganten noemt en niet de fintech spelers die overal opduiken. Er is een fundamenteel verschil tussen de zogenaamde GAFA’s en de fintech sector. De fintechs hebben het grote voordeel dat ze wendbaar zijn, zeer snel kunnen schakelen en oplossingen kunnen voorstellen die veel sexyer zijn dan wat wij vroeger maakten. Het nadeel is dat ze geen cliënteel hebben en dat ze hun oplossing vaak moeilijk kunnen schalen. Wij zijn misschien wat logger maar we kunnen wel snel schalen. Een fintech beschouw ik daarom niet de facto als een rivaal of een disruptor, maar veeleer als een potentiële partner. Met de GAFA’s ligt het anders. Zij willen waarschijnlijk een deel van onze activiteiten overnemen maar aan de complexiteit van onze omgeving willen ze zich wellicht niet wagen. Ik zie hen echter vooral als een bedreiging als het op data-analyse aankomt. Daar zijn ze sterk in.”

KVE: “Het grote voordeel van de banken is dat ze hun business kennen. In sé blijft die business ook dezelfde, het is de manier waarop je werkt die verandert. Die business snel overnemen is niet zo simpel. Als bedrijven buiten hun eigen competentieterrein gaan, dan loopt dat vaak slecht af, net omdat ze de omstandigheden onderschatten. Veel banken hebben decennia ervaring, sommige zelfs eeuwen. Dat is kostbaar goed. Dat hebben die nieuwe spelers niet. De kunst zal erin bestaan enerzijds te blijven focussen op de zaken waarin we echt goed en zelfs uniek zijn en anderzijds ons heel open te stellen voor de vele mogelijkheden die de technologische ontwikkelingen bieden. In dat kader is een open samenwerking met fintech spelers cruciaal, naast uiteraard een betere samenwerking tussen onze eigen leden.”

Traditioneel bankieren staat al een tijd onder druk door de lage rente. Zal het gewijzigd ECB-beleid het de banken gemakkelijker maken om de rente-inkomsten te normaliseren?

JT: “Ik denk het niet. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft de intensiteit van haar aankoopprogramma bijgestuurd maar de facto is er niet veel veranderd. De rentes blijven laag en dat zal nog jaren zo zijn. De banken moeten zich blijven heruitvinden in een omgeving met lage rentes. Tegelijkertijd moeten wij een pak geld investeren voor de digitalisering en moeten wij omgaan met nieuwe concurrenten die proberen om ons métier in te vullen. Het wordt een uitdaging om u tegen te zeggen.”

Er is meer dan 2.000 miljard EUR in de eurozone gepompt. Zal dat niet leiden tot een overwaardering van activaklassen?

JT: “Er is een overschot aan liquiditeit in de markt, dat is zo. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zegt al jaren dat er in ons land een bubbel is rond de huizenprijzen. De Nationale Bank van België (NBB) nuanceert dat en ik sluit me daarbij aan. Op zich zijn er vandaag geen tekenen die wijzen op een bubbel maar we moeten dat toch in de gaten houden. Je voelt dat er druk begint te komen. Gezien de inflatie en de lage rente is de verleiding groot om huizen te kopen.”

Over naar het zomerakkoord. De taks op effectenrekeningen wordt in de sector met argusogen gevolgd. Wat zijn jullie bedenkingen?

KVE: “Er is vanuit de samenleving duidelijk vraag naar een eerlijker verdeelde belastingdruk, zowel bij burgers als bij bedrijven. Je mag daar niet blind of doof voor zijn. Als de taksdruk inderdaad zo verschilt dat het gelijk speelveld is verstoord, moet je ingrijpen. Je moet naar een oplossing zoeken, maar dan liefst wel een oplossing die deugt voor de lange termijn. Dat moet je echter niet doen door telkens één elementje toe te voegen. Zo’n oefening doe je beter integraal. Vergeet niet dat de belasting op vermogen in België al bij de hoogste van Europa is. Je hebt daar niet geweldig veel marge meer op. Je moet vooral zorgen dat er geen negatieve economische effecten zijn. Ik vrees dat de taks op effectenrekeningen niet aan die voorwaarde voldoet.” 

Als uitsmijter: hebben jullie nog goede raad voor elkaar?

JT: “Blijf fietsen! (lacht). Er gaat in de sector nogal wat wijzigen, dus Karel zal zijn handen vol hebben. Dan is het superbelangrijk dat je een uitlaatklep hebt, naast je werk.”

KVE: “Ik zie dat mensen in de sector onder druk staan. We zitten in een wereld die leeft van minuut tot minuut, van seconde tot seconde bijna. In zo’n omgeving moet je ook kunnen relativeren. Je kan dat trouwens heel goed op je fiets doen (lacht).”

Heren, dank voor dit gesprek.