Post-crisisregelgeving: een open en kritisch debat

Dit is de ingekorte versie, lees het volledige artikel hier.

Eind 2013 keurde de regering een nieuwe bankenwet goed: zonder twijfel een historische mijlpaal voor het Belgische financiële landschap. Drie jaar na datum is het tijd voor een eerste evaluatie. We schuiven aan tafel voor een boeiend gesprek over de bankenwet, het doel van regelgeving en Brussel als financieel centrum.

Discussiëren mee: Annemie Rombouts (Ondervoorzitter FSMA), Jo Swyngedouw (Head of Prudential Policy and Financial Stability Division NBB), Saskia Mermans (Voorzitter Instituut voor bedrijfsjuristen & General Counsel KBC), Jean Cattaruzza (Voorzitter Legal Committee Febelfin & Head Legal Department ING Belgium) en Tom Boedts (General Counsel & Director Legal and Risk Related Affairs Febelfin). 

Hoe kijken jullie op de invoering van de bankenwet terug?

Jo Swyngedouw (JS): De bankenwet was, is en blijft een indrukwekkend werkstuk. Het is de maatstaf en inspiratie voor heel wat wetgeving die sindsdien ontwikkeld is, zoals de verzekeringscontrolewet. Binnen de bankenwet werd een goed evenwicht gevonden tussen stabiliteit en competiviteit. Uiteraard was de bankenwet vooral een mijlpaal van nationale financiële regelgeving. Vandaag hebben we echter binnen het Europese Single Supervisory Mechanism (SSM) negentien nationale wetten die toegepast moeten worden. We zien ook dat er in de nasleep van de crisis bijkomende instellingen gecreëerd zijn op verschillende niveaus. Dat alles maakt de realiteit ingewikkeld en complex. Volgens mij is het enige antwoord daarop: méér Europa.

Saskia Mermans (SM): Terugkijkend zijn wij in het algemeen ook positief. Het voordeel van de bankenwet was dat bepaalde domeinen samengebracht werden en in één kader gegoten werden. Het jammere was dan weer dat er opnieuw elementen van goldplating opdoken. In het kader van een Europese harmonisatie lopen we daarmee toch tegen een struikelblok aan.

Jean Cattaruzza (JC): Vanuit ING was er een sterke vraag naar Europese, geharmoniseerde regels. Met Europese teksten is het wel vaak zo dat je een soort gemeenschappelijke stam hebt, waar ieder naar eigen goeddunken blaadjes en bloemetjes aan kan toevoegen. Maar plots krijgt het geheel een kleurtje dat niemand had verwacht. Ik denk echter niet dat de oplossing erin bestaat om alle blaadjes en bloemetjes op te geven. Dan krijg je een mastodont van een stam met regels die met alle mogelijke interpretaties moeten rekening houden en onwerkbaar worden. Op veel vlakken is de bankenwet nu al te technisch. . Nu moet men ook opmerken dat de wetgever ook de goede reflex heeft gehad om snel enkele cosmetische ingrepen te verrichten die de wet in een meer praktische richting hebben gestuurd. Dit is zeer positief.

"Je moet de consument informeren maar heb je hem echt geholpen door hem te overinformeren?" - Jean Cattaruzza

Is er nog altijd goldplating?

Annemie Rombouts (AR): Je moet je eerst afvragen: waar is er Europese wetgeving en waar niet? Want goldplating stelt zich alleen als er Europese wetgeving is. Als de Europese wetgever afwezig blijft, dan moet een nationale wetgever maatregelen kunnen treffen als hij bepaalde risico’s ziet.

Zoals bij de beperking op de handelsactiviteiten?

AR: Daar was nog geen Europees voorbeeld, en naarmate de wetgevende werkzaamheden vorderden ook geen perspectief meer dat er een Europees initiatief zou komen. Dat was dus ongeregeld terrein. Ook indien men goldplating zo uitzonderlijk mogelijk wil houden - los van de problematiek die eigen is aan het SSM - ontslaat dat de nationale wetgever er m.i. niet van zich de kritische vraag te blijven stellen: hebben we voldoende vertrouwen in het supranationale recht of moeten we kunnen bijsturen? Persoonlijk heb ik niet de indruk dat alle heil van Europa blijft komen. Wat er ook van zij, nu de Europese regelgeving meer en meer in verordeningen wordt gegoten, stelt de problematiek zich in principe in veel mindere mate.

Tom Boedts (TB): Het minste wat je kan zeggen is dat de bankenwet het debat over de wenselijkheid van goldplating op scherp gesteld heeft. We merken dat regelgevers en beleidsmakers sindsdien attenter geworden zijn voor de neveneffecten van goldplating. Dat is een goede zaak. Een klein land met een open banklandschap moet zuinig met goldplating omspringen. Niet zozeer omdat Europa de waarheid in pacht heeft, wel omdat goldplating - hoe goedbedoeld die vaak ook is - een negatieve impact kan hebben op de aantrekkingskracht en het concurrentievermogen van ons land.

Wat zijn de toetsstenen die moeten uitwijzen dat een nationaal initiatief, bij gebrek aan Europees initiatief, toch vereist is?

JS: Zijn er risico’s die afgedekt moeten worden? Zijn er consumenten die beschermd moeten worden? Is er stabiliteit die in gevaar is? We hebben liever dat de zaken Europees geregeld worden zodat er geen of zo weinig mogelijk nationale tussenkomsten nodig zijn. Maar we zien ook dat Europa niet perfect is. Daarom zal die nationale toets belangrijk blijven. Soms zijn de risico’s ook lokaal, zoals bij vastgoed, en is ingrijpen op dat niveau noodzakelijk.

Dienen die toetsstenen wel altijd het algemeen belang?

JC: Dat zijn legitieme zorgen, maar “goed is de vijand van beter”, nietwaar? Soms heb ik de indruk dat we in extremen vervallen. Je moet de consument informeren maar heb je hem echt geholpen door hem te overinformeren? Prospectussen zijn encyclopedieën van regels geworden. Help je zo de consument? Verdrinkt het essentiële niet op die manier?

SM: Neem prospectuswetgeving, neem MiFID en de zorgplicht, neem het transversaal KB … De rol van de toezichthouder is het beschermen van het algemeen belang. De vraag is: wordt dat doel wel bereikt met alle regels die opgelegd worden? De belegger wordt overdonderd met informatie. Men gaat uit van een persoon die, met alle respect, bijna niet meer zelfstandig kan beslissen.

TB: Het contrast tussen de verwachtingen ten aanzien van de financiële sector en andere sectoren is soms treffend, ook voor zaken die belangrijk zijn voor de consument. De weekendbijlages van de kranten barsten van advertenties voor vastgoedbeleggingen met spectaculaire, gegarandeerde rendementen. Mocht je die toetsen aan de huidige regels rond reclame voor financiële producten, dan zijn haast al die advertenties onwettelijk en misleidend.

"Persoonlijk heb ik niet de indruk dat alle heil van Europa blijft komen." - Annemie Rombouts

AR: De regelgeving rond informatie en gedrag naar de consument toe heeft één doel: vermijden dat de klant producten koopt die niet aan zijn behoeften voldoen of waarvan hij de risico’s niet begrijpt. Men kan aan de legitimiteit van die doelstelling moeilijk twijfelen. Bureaucratisering wordt in die context te vaak verward met documentering. Een relatie met een klant is per definitie juridisch. Ik denk dus dat formalisme de banken ook kan helpen. Als het ooit verkeerd gaat, moet je kunnen aantonen dat de juiste vragen zijn gesteld en de juiste informatie werd verstrekt. Reken maar dat de klant in zo’n situaties zich nog precies zal herinneren dat die of die vraag niet goed werd begrepen.

Kan de sector MiFID trouwens niet als een opportuniteit kan zien in deze wereld waarin klanten bestookt worden met allerlei online initiatieven en fintechspelers? Is MiFID dan geen middel om tot een brede en diepe dialoog te komen? Want de klant heeft het loket niet meer nodig, hoor.

SM: Ik begrijp die denkwijze. Je kan inderdaad een competitief voordeel halen uit hoe je daarmee omgaat en hoe je je positioneert ten opzichte van je klanten. We willen met z’n allen een financieel systeem dat op een duurzame en stabiele wijze een goede dienstverlening verleent. Het is zaak daar een evenwicht in te vinden. MIFID is dan wel principle based en niet rule driven, maar je zit daar wel met zoveel niveaus van regelgeving, altijd maar technischer en technischer … De vraag hoe je daar een competitief voordeel kunt uithalen, is niet meer aan de orde omdat we zo opgeslorpt worden door het implementeren van de regelgeving.

JS: Er zijn limieten aan de complexiteit. Pakweg CRR of CRD IV volledig doorgronden of er zelfs maar een goed zicht op hebben, is allerminst evident. Ik vraag me af of de slinger inzake complexiteit niet is doorgeschoten. Bovendien zijn we nu acht jaar na de crisis. De afstand met wat men wil herstellen, zou wel korter mogen zijn. Basel 3,5 is nog altijd crisisherstel. Dan treedt er onvermijdelijk regulatory fatigue op omdat de link met wat je moet herstellen vaag geworden is.

Wat is de rol van regelgeving in de positionering van Brussel als financieel centrum?

JS: Het uiteindelijke doel moet altijd “stabiliteit” blijven, dat is duidelijk. Maar we leven in een omgeving waarin het ook belangrijk is om een competitieve sector te hebben. Daarnaast denk ik dat het belangrijk is om te zorgen voor een tijdige omzetting van Europese regels. En om voorspelbaarheid en een duidelijk en stabiel regelgevend kader aan te bieden en daaromtrent afspraken te maken. Na een aantal jaren kunnen we dan evalueren en eventueel bijsturen. Dat goed uitwerken kan op zich een troef zijn om nieuwe spelers aan te trekken.

AR: Ik sluit me daar volledig bij aan. En wat Brussel als financiële stelplaats betreft: graag, de deur staat open. De FSMA is bereid ondernemingen bij de hand te nemen en indien nodig zo efficiënt mogelijk door het vergunningsproces te loodsen. Alleen is ons aanvoelen dat er momenteel nog weinig testcases zijn.

TB: Wat Brussel nu kan gebruiken zijn een aantal wervende projecten. Er beweegt heel veel rond fintech, waarin we als land een aantal troeven hebben die velen ons benijden en waarbij we ons uniek kunnen positioneren ten aanzien van andere financiële centra. Slimme regelgeving kan de aantrekkingskracht van Brussel zelfs verhogen. België heeft dat al gedaan. Enkele decennia geleden hebben vooruitstrevende regelgevende oplossingen het land geholpen om zich op de wereldkaart te zetten op het vlak van de afhandeling van effectentransacties, denk aan Euroclear.

JC: Brussel staat nu 62e in de Financial Centers Index. Men denkt dus blijkbaar niet spontaan aan Brussel als de stad waar spannende ontwikkelingen te gebeuren staan. Als Brussel dus iets wil betekenen, bijvoorbeeld op het gebied van fintech, zal men snel en doortastend moeten handelen. We hebben geen heel positief imago. We moeten dus straffer uit de hoek moeten komen dan anderen en grondige, politieke keuzes maken. Met enkel wat opsmukwerk gaat men er niet komen.

Stel, u bent in 2026 en kijkt terug. Hebben we in 2016 de juiste antwoorden gegeven op de crisis en op de vraag hoe we Brussel tot een bloeiend financieel centrum konden laten uitgroeien?

AR: De vraag lijkt me eerder te zijn welke situaties de - per hypothese reactieve - regelgever in 2026 niet zal hebben voorzien. Met welke risico’s zullen we in 2026 geconfronteerd worden en welke schade zullen we dan moeten vermijden? Op basis van welke informatie gaan we ons daar een beeld van vormen? Dat zijn de uitdagingen.

JC: De meeste wetgeving werd genomen vanuit een soort post-crisisstandpunt. Als we in 2026 een positieve balans willen, zullen we een switch moeten maken. Zonder natuurlijk alle stootkussens op te bergen die, volstrekt begrijpelijk, sinds de crisis werden geïnstalleerd. De bakens zijn uitgezet, daarbinnen zullen we een nieuw elan moeten zoeken. Dat is de taak van de high level expert group.

JS: Er is in de acht jaar na de crisis nogal wat veranderd en het systeem is zeker robuuster geworden. Maar we zouden er zeker van moeten zijn dat we de risico’s van morgen de baas kunnen met het instrumentarium en het toezichtskader dat we nu uittekenen.

SM: Het is altijd gemakkelijk om terug te kijken omdat je dan nieuwe informatie hebt. In 2026 zal dat niet anders zijn. Wat er gebeurd is, noopte tot maatregelen. Dat zal niemand ontkennen. Maar misschien moeten we even stilstaan bij de aanpak en de lessen die we hebben geleerd. Als ik er dan één ding mag uitpikken, is het wel dat we de zaken af en toe van op afstand en in een breder perspectief moeten bekijken.

TB: De financiële sector heeft altijd rond vertrouwen gedraaid. Na de crisis was er een regelgevende duw in de rug nodig om dat vertrouwen te herstellen. De hoop moet zijn dat we in 2026 in een situatie zitten waarin dat vertrouwen er is zonder te veel regelgeving.